Datagedreven
Datagedreven werken. Je bent tegenwoordig bijna een outcast als je als organisatie dat niet in je visie of missie hebt staan. Zo ook bij 'mijn' Staatsbosbeheer. En hoewel ik er een behoorlijke boterham van eet en als informatiemanager hier een pleitbezorger van zou moeten zijn, heb ik ook mijn reserves.
Want: het is zo makkelijk gezegd. Maar weet men daadwerkelijk wat er mee bedoeld wordt? En vooral: wat er achter wegkomt? Gelukkig werken wij daar goed aan (ok, ik nu even niet) waarbij de samenwerking met de programmamanager Viola heel prettig en opbouwend is.
Waar datagedreven al jarenlang voor mij (onbewust) werkt is met fietsen. In het analoge tijdperk vond dat zijn weg in de zogenaamde in mijn fietsgroep beroemde briefings. Ik stond dan als geograaf de groep uit te leggen hoe het parcours/route was, hoe lang beklimmingen waren, wat de percentages zouden zijn ('drie pijtjes') en meer van dat soort details. Michelin, de ultieme kaartenmaker, was de enige en ook valide bron. Later deden de (slimmere) fietstellers zijn intrede. Vaak met een sensortje om de snelheid en je gemiddelde te meten. En je kon barometrisch de (afgelegde) hoogtemeters zien. Dat gaf al meer informatie, maar van connectiviteit was nog geen sprake.
Vanaf ca 2010 kwam Strava op. En dat was -in goed Nederlands- een game changer. Ook al omdat je niet per sé een Garmin of Wahoo nodig had, maar je met je smartphone en de app al een heel eind kwam. Je kon nu alles delen met de wereld. En er ontstond een heel fietsecosysteem eromheen van trainings- en gezondheidsapps (Join), beklimmingenapps (Climbfinder, MyCols), routeplanners (Komoot) en zaken als hartslag- en vermogensmeters. En daarmee werd een fijn fietstochtje van weleer voortaan gevolgd door een analysetraject van je data. Wat was je tijd op je favoriete segment (wegdeel)? Heb je je vermogens gehaald die je wilde? Was je sneller dit keer dan je maatjes?
Ik ben volledig meegegaan in deze ontwikkeling. Hardlopen en fietsen doe ik op vermogen. Beklimmingen bereid ik voor met een app en de genoemde indexen (hoe zwaar is het) bepalen mede wat ik ga rijden. Tijdens beklimmingen houd ik permanent zicht op mijn vermogen. Gisteren op de Ventoux probeerde ik dat die bijna twee uur op 250W te houden (wat na vijf kwartier niet meer lukte).
En de stijgingspercentages en hoogtemeters zeggen ook veel over hoe het gaat. Voortdurend ben je aan het rekenen. Nog 560 hoogtemeters over acht kilometer, naar de top is dus 7% gemiddeld. Op de meeste grote cols staat dat nu als service op de kilometerpaaltjes langs de weg. Overigens zeggen gemiddelde percentages niets. In een stuk van 6% kan een passage van 12% zijn, waarna het volledig afvlakt. Eigenlijk moet je de standaarddeviatie erbij krijgen. De gemiddelde afwijking van het gemiddelde; een belangrijk principe in de statistiek.
Kortom: datagedreven heeft wel degelijk betekenis. Mijn gedrag wordt er door beïnvloed en ik ben me bewust van het belang van de betrouwbaarheid en actualiteit van de data. Viola (zelf een fietser) kan trots op me zijn.
Vraag is wel of het allemaal leuker is geworden. Het volledig op gevoel fietsen, zonder al dat geanalyseer had ook wel wat.

Meten is weten….
BeantwoordenVerwijderenCliché maar waar; balans is de sleutel. Gebruik maken van de mogelijkheden en soms alles even helemaal loslaten en lekker op gevoel gaan!
BeantwoordenVerwijderen